Jacob Warris, begonnen April '97, beëindigd 10 juni '97
Werknaam: BALK. JOCHEM BALK.
Algemene revisie na ontdekking ongenoegen over verhaallijn bij auteur: Jacob Warris.
Start revisie: 13 augustus '97
Een jongen wordt wakker op een bankje in het park. Hij kijkt naar zijn shirt. Die zit onder de kots. Waarschijnlijk zijn kots. Hij herinnert zich niets. Niet hoe hij er kwam, of waar hij nou naartoe moest gaan.
Hij staat op en loopt naar de vijver in het park. Bij de kant kijkt hij om zich heen. Niets heeft hij eerder gezien. Zijn hoofd is leeg en bonkt als de zwaarste basdrum ter wereld.
Hij bukt naar beneden om zichzelf schoon te wassen. De jongen weet wel dat het niet normaal is om zo verschrikkelijk te stinken.
Dan ziet hij zijn gezicht in het water. Het zit onder het bloed. Snel wast hij het schoon. Hij is wel nieuwsgierig naar wat er onder het bloed zit. Op zijn gezicht zijn geen wonden te vinden. Opgelucht blaast hij rimpels in het water. Zijn haren zijn samengeklonterd door bloed. Het zijn lokjes haar en bloed geworden.
De 2e-hands klerenwinkel 100 meter achter hem is open. Daar loopt hij met zijn blote, gespierde bast naartoe. Hij heeft een koord met een sleutel om. Hij merkt het niet eens. Het zit hem niet in de weg.
Zijn jas heeft hij wel gehouden, maar zijn vieze en zeiknatte shirt drijft in de vijver. Het bloed loopt uit zijn shirt.
In de winkel staat een dame van begin dertig. De vrouw is verbaasd dat de man zonder shirt binnenkomt. Het is wel zomer, maar zonder shirt maar toch met een jas?
De vrouw vraagt uit ervaring direct of diegene wel geld bij zich heeft. Het is wel eerder gebeurd. Iemand kwam wel eens eerder naar binnen zonder kleren en ging (of probeerde) dan zonder te betalen er met zijn "nieuwe" kleren vandoor.
Hij kijkt haar aan met verbazing. Ze vraagt of hij geld in zijn kontzak heeft. Hij voelt en haalt er twee portemonnees uit. De een bulkt met het geld, maar er zitten geen bankpassen of identiteitsbewijzen in. Hij legt een briefje van honderd op de toonbank en loopt verder de winkel in. Hij kijkt in de andere portemonnee en leest zijn eigen naam. Hij moet Jochem Balk heten. Hij vindt de naam wel een beetje lollig. Hij noemt zichzelf wel Jochem de goochemerd. Hij zoekt een mooi shirt uit. Mooi onopvallend. Hij neemt al het geld uit de porto met poen en stopt het in zijn eigen portemonnee. Jochem stopt de lege porto (nu zonder poen dus) in de jas. Rustig zoekt hij ook een andere jas uit. De nieuwe jas is een klein beetje versleten maar nog om aan te zien. Hij kamt zijn haren met een kam van de vrouw. Veel van de bloedkorrels vallen op de vloer voor de spiegel. Aangezien de spiegel aan de achterzijde van de winkel is, ziet de vrouw achter de toonbank niet wat hij doet. Bij het kammen over zijn hoofd schaaft de kam over een hoofdwond. Zijn gezicht in de spiegel vertrekt van de pijn en hij besluit om op te houden met kammen. De kam is vies geworden en daarom neemt hij die ook mee. Nu loopt hij de winkel uit. De vrouw wil hem wel nog wat geld teruggeven. Maar dat hoeft hij niet. Hij neemt zijn oude jas mee in een plastic tas; de vrouw vond het niet erg om hem die gratis mee te geven.
Buiten bukt hij zijn hoofd om te kijken wat er allemaal in zijn oude jas zat. Terwijl hij dat doet, loopt hij naar zijn linkerkant. Links van hem ligt de straat.
Voor hij het weet loopt hij over de weg. Een auto komt met gierende remmen tot stilstand. De jongen is zo verbaasd over het gebeuren, dat hij alleen maar de chauffeuse aan kan staren. Die is net zo verbaasd als de jongeman en staart net zo hard terug. De vrouw reed net veel te hard voor het smalle weggetje. Maar iedereen deed dat. De vrouw gebaart hem aan de kant te gaan. In plaats daarvan stapt de jongen in.
De vrouw oogt bang en tien keer zoveel overdonderd als net, stapt weer op het gaspedaal en de auto crosst weg.
Heel droog zegt Jochem: "Volgens mij… ken ik jou". De vrouw heeft grote ogen opgezet. Er gebeuren te snel, teveel dingen om voor haar te kunnen vatten. Ze heeft niet eens gehoord wat de jongen zei. De vrouw is te bang.
De jongen stelt zich voor: "Ik ben Jochem Balk." De vrouw luistert nu wel. Ze zitten op een snelweg. Maar nu wil ze niet luisteren. Ze wil niks met deze jongen te maken hebben. Het is een grote klootzak. Na een tijdje zien ze de afslag Zuid Amsterdam.
De jongen had de moed op antwoord na een tijdje opgegeven. De vrouw was te veel bezig met het bedenken wat ze nu zou moeten doen. Het verkeer op de weg eiste ook enige aandacht. Ze had gewoon geen tijd om ook maar iets te bedenken wat terug te zeggen. Ze was al helemaal vergeten wat de jongen had gezegd.
Aan het einde van afslag Zuid stond een benzinepomp. Daar sneed ze in. Een auto die naast hen reed werd afgesneden en moest vol op de remmen om maar te zorgen dat de auto’s elkaar niet ramden.
De vrouw stopte met piepende remmen bij de eerste pomp en riep zo hard ze kon dat de jongen eruit moest. De jongen was daar eigenlijk niet verbaasd over. Hij had het voelen aankomen. Vlug stapte Jochem uit om maar te zorgen dat ze niet nog een keer zo hard in zijn, nu nog nasuizende, oren schreeuwde.
Nadat hij uitgestapt was, scheurde ze met een noodgang weg. Langzaam zag hij de auto uit het zicht vertrekken. Iets gaf hem het gevoel dat hij nu maar snel moest maken dat hij wegkwam. Waarheen? Hij zou het niet weten...
Het meest simpele zou zijn dat hij net zolang wachtte op wat komen zou. Maar dat zou niet zo handig zijn aangezien wat komen zou best schadelijk zou kunnen zijn. Hij keek rond voor vluchtroutes. Het enige wat in hem opkwam was de overkant van de weg. Daar staat een geluidswal, daar zou hij goed achter kunnen schuilen.
Hij liep richting die geluidswal. Hij moest even wachten totdat de auto’s voorbij waren en hij over kon steken. Na vijf minuten kwamen er drie donkere Mercedessen aanrijden. Allen met geblindeerde ramen. Je kon niet zien wie erin zaten. Het waren alle zware auto’s. Ze konden waarschijnlijk wel hard rijden, maar het zou enige tijd duren voordat ze op die snelheid zaten.
Er stapten twee mensen uit. Je zou verwachten dat het mannen waren in een driedelig pak. Want die zouden immers zulke auto’s kunnen betalen. Maar het waren twee erg forse mannen met spijkerbroeken en gewoon in shirt. De een was nog forser dan de ander. Zijn buik hing gewoon over zijn riem. Je kon duidelijk zien dat hij wel een biertje waardeert om de twee of drie minuten. Achter op de rug van de andere man zie je een zwarte ‘s’ net boven de rand van zijn broek. Het lijkt wel een wapen.
De jongen ziet de gezichten van de mannen wel, en ze komen hem vaag bekend voor. Hij krijgt ineens een flashback; die man deelt aan Jochem een stoot uit. De jongen vangt hem vol op. Niet dat hij niets anders kon, maar het was alsof hij het expres opving. Hij kon zich wel herinneren dat het niet hard aankwam. Dat was het. Op de achtergrond hoorde hij een ijskoude mannenstem zeggen: "Rustig aan, hij moet zo heel als mogelijk blijven!"
Jochem was van plan om op die man af te lopen, maar toen zag hij de tweede man. Die had op hem geschoten!!! Vlug krabbelde Jochem weer terug in de bosjes.
Na een kwartier vertrokken de mannen weer. Ze waren bij de pomphouder naar binnen geweest. Daar waren ze blijkbaar niets wijzer van geworden. Voor de zekerheid controleerden ze de wc-ruimte nog even. Daar was niks in te vinden behalve een jonge lelijke vrouw. Vlug liepen de mannen weer uit de wc’s. Ze stapten in en reden verder richting het noorden.
De jongen haalt opgelucht adem. Ineens krijgt hij een ingeving. Hij moet toch wel een huis hebben. Hij pakt zijn portemonnee en kijkt naar zijn woonplaats. Daar staat Breda op. En dan een adres dat hem niet zo bekend voorkomt. Hij herinnert zijn huisnummer wel. 124. Een simpel sommetje, zegt hij dan. Dat zinnetje komt hem erg bekend voor. Hij heeft het zichzelf verscheidene malen horen zeggen.
Achter de geluidswal staat een grote boerderij. Hij huppelt van de heuvel waar hij staat weer naar beneden. Hij komt op de weg die voor de boerderij loopt. Om het hoekje (de weg die naar de brug onder de snelweg leidt) verschijnt ineens een mensgrote tractor. Jochem schrikt zich het apenzuur. Hij kan niks doen. De tractor komt snel maar met een schok tot stilstand. De bumper van de tractor is nog geen centimeter verwijderd van Jochem zijn neus. Jochem kon de spanning niet zo goed aan, hij heeft in zijn broek geplast. Hij wist zeker dat hij dat niet had moeten doen. Niet dat het prettiger lopen was met een droge broek, maar normaal (hij had het gevoel dat hij dat nu niet was) zou hij dat niet gedaan hebben.
De boer springt van zijn mega-tractor af en loopt naar de voorkant van zijn beest van een voertuig. Bij het zien van de vlek in Jochem zijn broek schiet hij even in de lach. Aan de ene kant omdat hij het natuurlijk leuk vindt om het tafereel te zien (dat zie je immers niet zo vaak) en aan de andere kant omdat hij blij is dat hij nu niet staat te kijken naar een rood hoopje pulp. Hij heeft een keer gezien wat een grote en zware tractor kan doen met een mensenlichaam. Bij een buurboerderij overleed de zoon van de buurboer direct nadat de tractor over hem heen reed. De jonge jongen (7) was voor de tractor gaan liggen als wijze van grap. De boer kan zich goed herinneren dat iedereen alles deed behalve lachen. Er was niks meer over van die jongen. In zijn lichaam stonden nog de tractorsporen. Zijn buurman boer was toen kotsmisselijk van zijn eigen daden. Een van de ergste dingen op deze wereld is het vermoorden van je eigen kind. Vooral als het niet de bedoeling was. Die maand had het dorp drie begrafenissen. Een van de moeder van de jongen (overleden na een lang ziekbed), een van de jongen. De laatste was van de vader van de jongen, de buurboer. Het enige dat die man staande had gehouden na de dood van zijn vrouw was zijn zoontje. Aangezien die er ook niet meer was, was er volgens de man geen andere optie.
De boer, geschrokken van zijn eigen herinneringen, biedt de jongeman zijn excuses aan. De man vraagt of hij misschien mee wil gaan naar de boerderij om zijn kleren te laten wassen. De jongen stemt toe. Jochem vindt het ongelooflijk stom van zichzelf dat hij zich zomaar onder heeft gepist. Op de tractor grinnikt hij wel een beetje om zichzelf, en hij schudt zijn wijze hoofd. Hij beseft ook wel hoeveel geluk hij heeft gehad.
Op de boerderij krijgt hij een overall en wat ondergoed. Het is allemaal veel te groot. De boer is een kleine maar ronde kerel van rond de veertig. Jochem verzuipt in de onderbroek en gebruikt de riem om zijn onderbroek omhoog te houden. Zijn overall past net. Het enige wat er een beetje te kort aan is, zijn de mouwen.
Jochem vraagt de boer na een kwartier of hij even mag bellen. Jochem zag aan de wand een kind met een speelgoedtelefoon. Het kind lijkt wel een beetje op de boer. De foto is redelijk oud. Toch snel zo’n tien tot vijftien jaar oud. De boer geeft hem zijn portable. Jochem pakt zijn portemonnee weer tevoorschijn. Op een briefje staat een telefoonnummer. Hij toetst het nummer in en is benieuwd wie er op zal nemen. De telefoon gaat drie keer over. Niemand neemt op. Dan springt het antwoordapparaat aan. Een stem zegt: "Met Herald Klok. Ik ben er nu niet. Laat een bericht achter na de 'biep'".
Het was HIJ die deze woorden had gesproken. Hoezo Herald Klok? Dat is hij toch niet. De jongen kon zijn eigen oren niet geloven. Hij zat maar voor zich uit te staren. De tijd om een bericht achter te laten was afgelopen. Een afsluitende "biep" was het gevolg. Snel drukte hij op de uit-toets. Hij zocht verder naar andere nummers. Hij vond er nog drie.
Hij belde de eerste. Bij de eerste nam een vrouw op. Ze heette Annelies Geen. Jochem dacht over de naam na. Hij kon het zich totaal niet herinneren. Jochem nam maar aan dat het de vrouw was die hij tegenkwam nadat hij uit de winkel liep. Die vrouw die hem uit de auto had geschreeuwd.
Het tweede nummer was van een antwoordapparaat. De naam was onbekend. Je hoorde alleen direct (geen enkele keer was de telefoon overgegaan) de 'biep'. Vreemd genoeg wist hij dat hij iets speciaals moest zeggen om degene te laten opnemen. Hij kon zich niet herinneren wat het was. Maar wel wist hij nog dat het een ontzettend dom versje was. Hij wist ook niet eens meer hoe het versje ging. Jochem probeerde van alles te verzinnen maar het lukte hem niet om muziek te maken in zijn hoofd. Dat gaf hem een raar gevoel.
Nummer drie was duidelijk een autotelefoon. Het was een 06-nummer. Er werd opgenomen (duidelijk in de auto, je kon de motor horen) door een Groenhard. Hij sprak de 'd' van GroenharD duidelijk uit. Duidelijk dat in het verleden zijn naam verkeerd werd gespeld. De stem komt Jochem wel bekend voor. Snel drukt hij de telefoon weer uit. Ook zo snel weer aan. Hij drukt het nummer 112 in. Nog voordat er op werd genomen drukt hij op de stand-by knop. Jochem wist helemaal niet waarom hij 112 belde. Het gaf hem ook niks, hij dacht er verder niet over na.
Jochem gaat in het geheugen van het toestel om te kijken welke nummers er zijn gebeld. Daar staan de vier nummers in die hij heeft gebeld plus nog een paar nummers die de boer heeft gebeld. Jochem wist zijn nummers en geeft de telefoon weer door aan de boer.
Voordat Jochem het wist had hij gevraagd waar de vrouw van de boer was. Het huis zag er goed verzorgd uit. Alles was schoon, netjes en goed opgeruimd. De boer antwoordde dat hij al een tijdje niet meer getrouwd was. Hij is gescheiden. Omdat Jochem het stom vindt dat hij die vraag net zo snel moest stellen, probeert hij zich te herstellen door te zeggen dat het huis goed verzorgd en onderhouden is. De boer heeft door wat Jochem probeert te doen en grinnikt: "En dat door een ouwe boer".
Jochem loopt in het centrum van de stad. Zijn broek en onderbroek zijn nog warm van de droger. Hij zoekt naar het bordje station. Hij kan het echter nergens vinden. Uiteindelijk na een kwartier zoeken houdt hij een taxi aan. Hij vraagt of de taxi hem wel naar het station wil brengen. De chauffeur lacht hem een beetje uit en zegt dat hij maar in moet stappen. De taxi trekt hard op en rijdt met een noodgang weg. Over de radio krijgt de chauffeur wat door. Jochem kon niet volgen wat er werd gezegd. Het enige wat de chauffeur antwoordde op het gebrabbel was dat hij al een pakketje had maar dat het niet zo lang zou duren voordat het afgehandeld was. Nadat hij dat gezegd had en de mobilofoon weer had opgehangen keek de man Jochem met een achterbakse lach aan. Na dertig seconden gooide de chauffeur zowat het hele stuur om en scheurde de Stationstraat in. Aan het einde van de straat, tussen verscheidene bedrijven in, stond het station. De taxirit zal niet langer hebben geduurd dan 2 minuten. De chauffeur riep dat de rit ƒ 25,- kostte. Het was meer dan logisch voor Jochem dat het veel minder zou moeten kosten, maar zonder morren betaalde Jochem het bedrag. Hij had geen zin aan gezeur aan zijn kop.
Hij bevond zich op het station van Venlo. Hij herinnert zich ineens de bende van Venlo. Venlo zag er toch goed verzorgd uit. Hij lacht wat, zelf niet eens wetend waarom, en stapt het station op. Daar koopt hij een kaartje van de automaat en gaat staan wachten op de trein richting Breda. Van achteren komen drie mannen aangelopen. Een ervan herkent hij, hij weet niet waarvan. Hij wil weglopen maar twee hebben hem al te pakken. Hij schopt de kerel die hij herkende weg. De mannen roepen wel dat hij rustig moet wezen. Ze roepen van alles. Jochem kan de druk niet meer aan, alles begint voor zijn ogen te draaien en hij valt flauw.
Als hij wakker wordt zit hij in een schuurtje. Alles om hem heen is beton. Het is een redelijk nieuw schuurtje. Het beton is nog wit. Je zou bijna zeggen dat het om hem heen is gebouwd. Het enige licht dat er binnen komt is van het dakraampje. Die staat half open. Jochem is niet vastgebonden en springt richting het raampje. Hij kan er net niet bij. Van onvreugde slaakt hij een kleine boze kreet. Het werd blijkbaar gehoord, want het dakraampje wordt helemaal open gedaan. Daar zag hij de kerel, een man die hij nog nooit eerder had gezien. Die lachte wat en stak zijn hand uit.
Het was voor Jochem de enige manier om uit het schuurtje te komen en dus sprong hij en pakte de hand van de man. De man stond stabiel genoeg om Jochem omhoog te trekken. Jochem woog toch al snel 90 kilo. Jochem had een goede body. Met sixpack en al, en hij was 1.8 meter. Zeker niet de kleinste dus. De man had wel moeite om Jochem omhoog te krijgen, maar het lukte hem wel. Toen Jochem boven op het schuurtje stond viel hij bijna voorover. Alles begon weer even te draaien, waarschijnlijk vanwege de inspanningen die hij had verricht samen met de man. "Of ligt mijn zwakheid aan mijn hoofdwond?" bedacht Jochem zich.
Toen hij alles weer onder controle had keek hij op. Het eerste wat hij zag was de mooie avondgloed. Het bovenste deel van de lucht was lichtblauw, en de onderkant paars verder lopend naar oranje. Toen hij weer kon concentreren zag hij de stapels kassen onder zich. Zover hij kon kijken zag hij kassen.
Hij haalde eens diep adem en merkte toen dat het er niet echt fris rook. Het kwam uit de kassen. Hij draaide zich om en zag alleen maar dennen. Daar kwam de geur niet vandaan. Er zaten hekken om het terrein van de kassen. Achter het schuurtje ook, hij hoefde alleen maar van het schuurtje te springen en hij was weer vrij. De man stond pal naast hem. Hij zou vast sneller zijn dan hem. De klerenkast (die man dus) vroeg of hij meekwam. Hij dwong hem tot niets. Dat verbaasde hem wel. Hij kon zich die drie mannen nog wel herinneren. Aangezien dat was waar hij aan dacht vroeg hij ook direct of de man ook een van die drie was. De man ontkende en zei dat hij alleen maar hier de kassen verzorgde. Hij bemoeit zich verder nergens mee. Jochem stemde in dat hij meekwam. De mannen kwamen bij het hoofdgebouw aan. Een grote villa wordt omringd door een aantal kassen met snijbloemen. Die bloemen roken wel lekker. De geur van die bloemen was sterker dan de stank van net. Jochem was de stank ook al vergeten.
Voor de villa stonden vier auto’s. Een Mitsubishi, een oude Opel en twee BMW’s. Een rode en een donkerblauwe. De rode auto was van die VROUW! Die vrouw die hem uit de auto had geschreeuwd! Hij vroeg direct van wie de rode BMW was. Hij zei er maar achteraan dat het een mooie auto was. De klerenkast (rond de vijftig maar erg indrukwekkend, zelfs voor Jochem) antwoordde dat het de wagen was van zijn dochter. De man vertelde ook dat zijn dochter alle zaken deed. Dit omdat zijn zoon in de bak zit vanwege doorrijden na een ongeval en rijden onder invloed, poging tot doodslag en moord met voorbedachte rade. De man was niet trots om het te zeggen. Jochem was verbaasd dat het ineens zo snel allemaal uitkwam. Hij kon wel begrijpen dat het moeilijk was om over te praten en dat het makkelijker is om het te zeggen tegen een vreemde die je waarschijnlijk toch nooit weer ziet.
Toen de mannen binnen kwamen zag Jochem de befaamde tankstationvrouw weer. De vrouw keek hem boos aan. De klerenkast liep verder. Hij zei dat hij ze maar even alleen liet.
Jochem ging zitten zonder dat het hem werd aangeboden. Hij keek de vrouw aan. Ze was niet knap, maar ook zeker niet lelijk. Hij had een raar gevoel in zijn maag. Niet dat hij spontaan verliefd was geworden bij het weerzien van de vrouw, maar hij had honger.
Deze keer had hij meer manieren. Hij vroeg netjes of er ook wat te eten was voor hem. De vrouw, duidelijk geïrriteerd aan zijn gedrag, zei dat daar al voor gezorgd werd. De vrouw stond op en pakte haar sleutels. Ze wou net weglopen en toen kwam de man, van het treinstation, binnenlopen. Met een groot bord met patat. Bij hem hing een grote wolk van frituurgeur. Hij zag dat de vrouw weg wou lopen. Daarop riep de man, terwijl hij keek naar Jochem, dat ze maar hier moest blijven. Hij gaf Jochem het bord en keek naar de dame of zij wel naar hem luisterde. De dame gehoorzaamde rustig. Ze legde haar sleutels weer op de plek waar ze vandaan kwamen en ging naast Jochem zitten. Dit verbaasde Jochem wel, maar veel dacht hij er niet aan. Hij zat heftig te eten van de overheerlijke patatten. De man begon met vragen te stellen aan Jochem.
Jochem vertelde alles. Hij had geen zin om niets te zeggen. Hij begreep geen ene fluit van de situatie waar hij in zat. In het kort vertelde hij wat er met hem tot nu toe gebeurd was, ook vertelde hij dat hij voor het wakker worden in het park zich niets herinnerde. Hij liet het deel van de vrouw en hem eruit, ook zweeg hij over het telefoneren. Nadat hij klaar was keek hij nog even naar de vrouw. Deze had wel meegeluisterd en was druk bezig te bedenken waarom hij niet was opgepakt nadat zij de politie had gebeld dat hij bij het pompstation was. Ook was ze verbaasd dat hij niet verteld had dat zij hem had achtergelaten bij het pompstation. Jochem keek de man weer aan. Die glimlachte. Hij zei dat het maar goed was dat Jochem niet werd opgepakt. Volgens de man wordt Jochem gezocht. Het is voorlopig verstandig om niet naar buiten te gaan. Jochem begreep dat. Het gevoel dat hij buiten constant werd gevolgd was nu even verdwenen. Hij snapte nu dus ook dat degene die hem neergeschoten hadden (degenen bij het pompstation) dus van de politie waren.
Jochem moest controleren of hij ook ergens geschoten was. Hij verzocht daarom of hij mocht douchen. Het was immers al een tijdje geleden dat hij gedoucht had. Terwijl hij en de vrouw naar boven liepen, zag hij dat er een Volvo stationwagen het terrein opreed. Jochem bleef staan kijken op de trap samen met de vrouw. Uit de wagen kwamen vele soorten wapens. Vier mannen kwamen de wapens binnen dragen. Het waren zware en snelle wapens. Bij één zag Jochem overduidelijk dat het wapen een volautomatische M-16 was. Ze hoorden de stem van Gamber (de man van het treinstation) zeggen dat de wapens het liefst zoveel mogelijk uit het zicht zouden blijven van de oude (daar werd de vader van de vrouw mee bedoeld, de klerenkast). Tijdens het douchen vroeg Jochem aan de dame hoe ze heette. Ze zei dat ze Annelies heette. Jochem herinnerde zich de naam van het telefoongesprek. Hij vroeg of ze misschien Geen van achteren heette. Dat was zo. Ze vroeg of hij haar nog herinnerde. Jochem zei van niet. Hij had haar wel gebeld en toen nam zij op, meer wist hij niet.
Ze zei nu niets meer. Jochem controleerde of zijn lichaam nog een groot litteken had van de schotwond. Hij wist zeker dat hij geschoten was. Toen hij dat voor zichzelf hardop zei, schoot hem iets te binnen. De man die hem had neergeschoten heette inspecteur Roten. Van de Venlose Recherche. Die andere kaffer die toen bij hem was heette Timms. Hij wist het zeker. Die kerels waren niet slecht. Hij wist ook dat zeker. De kogels waren vast niet bedoeld voor Jochem. Waarom is die Gamber nu dan bang dat Jochem werd opgepakt?
Hij vertelde alles aan Annelies. Eerst stapte hij naakt de kamer in van Annelies. Toen hij zag waar zij naar keek had hij een handdoek omgedaan. Hij vertelde haar alles. Ook dat hij het idee had dat die twee van de politie helemaal niet slecht waren. Tijdens het spuien van zijn gedachten had Annelies al de deur dichtgedaan. Ze vroeg Jochem wat hij van plan was te gaan doen.
Jochem ging even zitten. Annelies stond nog bij de deur. Zij hoorde iemand de trap op komen. Snel liep ze naar het bed toe en greep ze Jochem. Toen de deur openging van de kamer begreep Jochem waarom ze het deed. Hij dacht het realistischer te maken als hij haar maar bij haar billen zou pakken. Toen hij dat deed slaakte Annelies een vreugdekreetje. Hij moest echt zijn best doen om zijn lachen tegen te houden. De kamerdeur werd ook net zo hard gesloten. De man die net was gekomen in die Volvo brulde van boven de trap dat Jochem lag te rollebollen met de dame. Gamber snauwde dat zij dan maar even met rust moesten worden gelaten. Het was tenslotte ook al een lange dag voor Jochem. Toen het al een tijdje stil was hield Jochem de dame tegen van het zoenen. Jochem zei al dat hij weg was. Annelies haalde haar handen weg van de plekken waar zij ze neer had gezet en ging weer staan. Ze bloosde een beetje toen ze in de gaten kreeg wat ze net gedaan hadden. Jochem gniffelde even.
Opeens kreeg hij weer een geheugenschiet terug. Hij werkt niet voor Gamber, maar voor de politie. Zijn baas is Roten! Shit, maar waarom is hij nu neergeschoten dan? Hij vroeg aan Annelies of zij ook littekens had gezien. Dit was een goed excuus voor haar om zijn lichaam nog eens te bekijken. Zij vond niets. Wel vroeg ze eerst even of hij zich om wou draaien. Niets. Geen enkel litteken.
Jochem bedacht zich ineens dat hij wel eens de slechterik zou kunnen zijn. Waarom hangt hij anders uit bij die kerels met wapens? Het schiet hem binnen dat die stank van hennep en cannabis afkomstig is. Hij vroeg aan Annelies of dat zo was en hoeveel kassen ermee vol stonden. "Ja, hennep en 36 kassen van 12 bij 4," antwoordde Annelies. De waarde van het spul komt toch al gauw op zo’n vijf miljoen. Dat is nogal wat. Hij vraagt aan Annelies of zij de politie wil bellen. Hij pakt zijn portefeuille en geeft haar het nummer.
Ze belt het nummer terwijl Jochem zich aankleedt. Annelies krijgt niemand aan de lijn. "Och, het versje…" zegt Jochem. Annelies moet het liedje "Vader Jacob…" zingen. Snel zingt ze het. Gelijk neemt Roten op. Hij vraagt direct wie het is waarmee hij spreekt en hoe ze aan dit nummer komt. Jochem had meegeluisterd en zegt tegen Annelies dat ze ervoor moet zorgen dat de politie nu direct hierheen komt met zwaar geschut. Ook verzoekt hij hen of ze ook een hoop kogelvrije vesten willen meenemen.
Jochem loopt weer naar beneden. Hij heeft Annelies opdracht gegeven om zich uit te kleden en in bed te blijven liggen.
Eenmaal beneden ziet hij de wapens liggen. Ook de vier mannen lopen rond met pistolen. Ze laden elk wapen. Ze pakken een wapen en openen de deur om naar buiten te gaan. Snel vraagt Jochem wat ze gaan doen.
Het antwoord komt van een van de nieuwe mannen. Zijn antwoord was dat ze wraak gingen nemen. De volgende vragen van Jochem waren logisch. Wie en waarom? Deze keer kwamen de antwoorden van Gamber. De politie. De reden was dat zij (de politie) Gamber zijn broer hadden vermoord en ook dat zij wraak gingen nemen opdat Jochem geschoten was door hen.
Jochem was de enige overlevende aan de kant van de slechteriken. Een deal was fout gegaan en de politie had het pand waar zij (de broer van Gamber en Jochem) samen met de kopers waren, bestormd.
Jochem werd in het hoofd geraakt en naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis kwamen Gamber en zijn mannen zoeken naar Jochem. Het werd weer een vuurgevecht. Deze keer vielen er slachtoffers aan de kant van de politie. Een kameraad van Jochem was toen overhoop geschoten, een kameraad bij de politie. Jochem ontsnapte aan ieders aandacht en vluchtte weg. In het ziekenhuis was Jochem zo geschrokken dat hij, toen niemand aandacht had voor hem maar voor het vuurgevecht, vluchtte.
Nu kwam al dat terug in een flashback. Jochem begon bij dit terugkomen van zijn geheugen heftig te zweten. De vijf mannen wilden net uit de deur stappen. Toen ze bij hun wagen aankwamen stopte Jochem hen. In zijn handen had hij een automatische M-16. Hij haalde er de veiligheidspal vanaf. Hij had er goed zin in om de trekker over te halen.
In de verte kon je de sirenes horen van een bataljon van politiewagens. Gamber hoorde het ook en keek om zich heen. Hij kon nog niets zien. Een van die vier andere mannen begon zenuwachtig te worden en laadde zijn wapen. Nog voordat hij het op Jochem kon richten schoot Jochem hem met plezier overhoop. Gamber pakte zijn pistool en loste drie schoten af op Jochem.
De witte muur achter hem werd rood. Een kogel ging dwars door zijn linkerarm. Hij ving de andere twee op in zijn romp. Hij zakte snel in elkaar.
De eerste politiewagens reden het erf op. Ze stopten een honderd meter van de Volvo stationwagen. De politiemensen stapten uit en richtten hun wapens op de nog vier mannen. Gamber dook weg achter de wagen. De andere drie begonnen hevig te vuren op de voorste wagen met agenten. De agenten hadden geen schijn van kans. De wagen was snel doorzeefd met kogels, net zoals zijn bestuurders. Achter de kassen kwamen vele ME’ers vandaan. Zij waren wel sterk bewapend. Ook zij openden het vuur. Als snel was alleen Gamber over. Zijn gezicht zat onder de donkerrode spetters van de hersenen en andere delen van zijn mannen. Hij stond op. Hij richtte zijn pistool op Jochem. Gamber wist zeker dat het zijn schuld was. Nog voordat hij kon schieten openden alle ME’ers weer het vuur. Gamber werd aan stukjes gereten door alle kogels die hem doorzeefden. Op de grond loste Gamber nog een schot gericht op Jochem. Die verdween in het been van Jochem.
Jochem werd met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. Hij had een 25% kans van overleven. Gelukkig haalde hij het wel. Zij het met een black-out af en toe. Daarom had hij een notitieblokje in zijn binnenzak met alle gegevens over hemzelf. Ook stond erin van wie hij houden moest, en op wie hij blindelings kon vertrouwen…
Jochem Balk nam ontslag uit het politiekorps van Venlo. Hij kreeg twee onderscheidingen mee. Een van het laatste incident, en een voor zijn bijdrage aan het oprollen van de bende van Venlo.
Ik geloof dat hij nu ergens in de kassen werkt. Volgens mij is zijn specialiteit: snijbloemen en Fuchsia’s.
-#EINDE#-